Posts tonen met het label herinnering. Alle posts tonen
Posts tonen met het label herinnering. Alle posts tonen

dinsdag 14 december 2010

Reis naar de doden van Corsica

Mijn hart sprong op, toen ik onlangs in de beste boekhandel in de wijde omtrek een nieuwe Nederlandse uitgave van W.G. Sebald zag liggen. Het betrof de vertaling van Campo Santo. Meteen en zonder aarzelen gekocht, want deze schrijver is mij, sinds ik geheel van mijn voeten werd gezwiept door zijn grote en grootse roman Austerlitz, dierbaar in het kwadraat. Campo Santo bevat essays over andere schrijvers, maar begint met vier fragmenten uit een onvoltooid prozawerk, waarin een reis naar Corsica centraal staat. Het tweede fragment, onder de titel 'Campo Santo', gaat over een bezoek aan de begraafplaats van het dorp Piana, waar de ik-figuur rondstruint en mijmert over de doden die daar, alnaargelang hun rijkere of armere status in hun aardse leven, met zwaardere of lichtere grafstenen monumenten worden verhinderd zich onder de levenden te mengen. Tevergeefse moeite, zo blijkt uit de locale overtuiging dat de overledenen 'niet werden beschouwd als doden die zich voorgoed op de veilige afstand van de andere wereld bevonden, maar als familieleden die nog steeds aanwezig waren, alleen maar in een bijzondere toestand verkeerden en in de communità dei defunti een soort solidaire gemeenschap vormden tegen hen die nog niet waren gestorven.' (p. 37) Volgt een uitgebreide beschrijving van alle middelen waarvan de overledenen zich bedienen om zich in het hiernamaals te manifesteren, afgesloten door een prachtige tirade tegen de moderne tijd, waarin de betekenis van de doden afneemt. Dat is het gevolg van het razendsnel toenemen van de wereldbevolking, waardoor wij gedwongen zijn onze aandacht te richten op wat om ons heen gebeurd en 'de manier waarop wij van de overledenen afscheid nemen gekenmerkt wordt door een slecht verholen schamelheid en haast.' Ik zou graag de hele passage van p. 42-43 citeren, maar ik laat dat aan de nieuwsgierig geworden lezer over...

Na dit voorlopige hoogtepunt van het boek, sloot ik het voor korte tijd om even bij te komen van zoveel briljant verwoord cultuurpessimisme en besloot in een opwelling even later een willekeurig essay over een van Sebald's literaire helden te lezen. Ik koos voor 'Droomtexturen: kleine notitie over Nabokov'. Het blijkt te gaan over een wezenskenmerk van Nabokov's schrijversschap, die iedereen bekend zal voorkomen die iets van deze woordtovenaar gelezen heeft, namelijk zijn neiging om zijn figuren van buitenaf en zelfs van bovenaf te beschouwen: 'In elk geval wekken de meest briljante passages van zijn proza vaak de indruk dat ons doen en laten in de wereld wordt geobserveerd door een buitenaardse soort die nog in geen enkele taxonomie voorkomt en waarvan de afgezanten zo nu en dan een gastrol spelen in het toneelstuk dat door de levenden wordt opgevoerd. Zoals wij hen zien, zo zien zij ons vervolgens, aldus Nabokovs veronderstelling, als vluchtige, transparante wezens met een onzekere afkomst en bestemming. (...) Stil, bezorgd en bedroefd, lijden ze er kennelijk zeer onder dat ze buiten de maatschappij zijn gesloten, daarom zitten ze ook meestal, aldus Nabokov, wat terzijde en staren ze ernstig voor zich uit naar de grond, alsof de dood een donkere vlek of een schandelijk familiegeheim is.' (p. 189) Een treffende gelijkenis tussen de Corsicaanse doden en Nabokovs figuren.

Is het nu toeval dat ik die twee fragmenten uit het oeuvre van Sebald zo achter elkaar heb gelezen? Het moet nog bewezen worden door wat ik verder in Campo Santo tegenkom, maar mijn sterke vermoeden is: nee. Het is een volmaakte illustratie van de kracht van Sebald, die zich in alles een kampioen van het beschrijven van herinnering en vergetelheid toont, en voor zijn niet aflatende gevecht tegen het vergeten en niet-herinneren en zijn 'verlangen naar de opheffing van de tijd [dat] zich uitsluitend kan waarmaken wanneer de allang in vergetelheid geraakte dingen uiterst nauwkeurig worden opgeroepen'. Dat laatste ziet Sebald door Nabokov het beste gerealiseerd worden, maar hij kan er zelf ook wat van, zoals hij met name in Austerlitz en De ringen van Saturnus heeft aangetoond.

woensdag 16 december 2009

Verkocht


Een oud boerderijtje op de grens van Brabant en Limburg is vandaag verkocht. Met een aardige lap grond erbij. Als je nu gaat kijken hoe het eruit ziet, schrik je je rot. Ik niet, want ik zie het met ogen van twintig, dertig jaar geleden. Dan straalt het in de zon, de boerderij witgeverfd, met groene ramen en rode dakpannen, het omliggende terrein gladgemaaid en frisgroen, met een pasgeteerde houten schuur en een weelderige bosrand op de achtergrond. Op het gras spelen kinderen, waaronder die van mij. Een idylle, zo wordt al het gewaardeerde verleden, een zonovergoten idylle.
Het is al jaren niet meer in gebruik geweest, althans niet meer op de manier van twintig, dertig jaar geleden. Dat heeft veel met opgroeiende en volwassen wordende kinderen te maken. En ook met een paar harde rukken die het lot aan ieders leven geeft. Langzaam wen je eraan dat een mooi (herinnerd) verleden wegglijdt. Er komen andere dingen voor in de plaats, waarvan je vurig hoopt dat je ze ooit, over tien, twintig, dertig jaar, ook tot een idylle mag maken.
Voor nu kijk ik nog één keer over het toegangshek aan de zijkant van de boerderij en zie ons allemaal een voor een uit de groene staldeur komen. Het is het begin van de avond. Niemand kijkt naar opzij, iedereen kijkt verwachtingsvol naar voren, naar buiten, naar het grasveld dat zich voor hen uitstrekt, gelokt door het vreugdevuur dat is ontstoken (toestemming van de lokale brandweer was toen nog niet nodig). Van waar ik sta kan ik het vuur niet zien, maar ik weet dat nu iedereen er naar staat te kijken, zwijgend en gefascineerd door de vlammen.

tekening: Eefje