donderdag 21 juli 2011

Stijlvol !

Over die broer van mij - u weet wel, meneer Nurks - heb ik al wel eens verteld, maar kent u mijn zus al? "Zal ook wel fictief zijn"... hoor ik dat goed? Nee dame/heer, mijn zus is niet fictief, gefingeerd, verzonnen, bedacht en al helemaal niet nurks! Niet dat ik haar hier in persoon ga opvoeren, dus echt bewijs heb ik niet, maar ik laat wel iets van haar zien. Iets waar ze mee bezig is en wat ik u niet wil of mag onthouden:

http://stijlcabinet.com/

Ja, nee, kijkt u maar even wat langer! Klik door, browse, blader, en verbaas u over zoveel moois en mooi gevondens bij elkaar.
Voor zover de site niet voor zich spreekt: Zus doet research en maakt van de archieven van mode-, design- en ambachtsbedrijven een visuele presentatie waar je U tegen zegt. Met alle zorgvuldigheid en schoonheidslievendheid die in haar is. Of ik trots op haar ben? Jazéker wel!

vrijdag 15 juli 2011

'Had u al een jubileum gehad mevrouwtje?'

'Jazeker, al menig jubileum!'
Als je negentig wordt, is dat ook niet zo gek natuurlijk. Vijftig worden is al een mooie mijlpaal (weet ik uit eigen ervaring), en vijfentwintig of veertig jaar getrouwd zijn, lijkt me ook een prestatie en het vieren waard. Maar negentig worden! Goed, de mobiliteit laat te wensen over, to put it mildly, maar goddorie, dat koppie gaat nog heel goed mee, idem. 'U heeft ze alle 120 procent nog', zei een van de vele, vele specialisten die mijn moeder de afgelopen jaren moest bezoeken. Je hoeft haar niets wijs te maken over het nieuws, wereldwijd en Nijmeegs: ze houdt het allemaal bij.
En wat in principe een vervelende combinatie kan zijn - scherp van geest en een lichaam dat daar steeds verder bij achterblijft - is bij mijn moeder geworden tot hooguit privé eens een klacht, maar als je bij haar langsgaat of een uitstapje met haar maakt, is ze gewoon een plezier om mee om te gaan.
Dus stap ik vandaag met extra opgewekte tred door het leven: ik ben de zoon van een sterke en lieve moeder van negentig. Een foto uit haar jeugd is er niet meer: de hele inboedel van haar ouderlijk huis aan de Hugo de Grootstraat ging aan het eind van de oorlog (Nijmegen frontstad) in vlammen op. Dus neem ik mijn toevlucht tot een min of meer willekeurige foto van communicantjes uit 1921. Ze zou er zomaar tussen kunnen staan:

vrijdag 17 juni 2011

Sherwood Anderson


Winesburg, Ohio verscheen voor het eerst in 1919. Het heeft sindsdien de status verworven van een twintigste-eeuwse klassieker binnen de Amerikaanse letterkunde. De auteur, Sherwood Anderson, heeft grote invloed uitgeoefend op veel beroemdere schrijvers als Hemingway en Scott Fitzgerald. So what? zult u zeggen; er zijn zoveel klassiekers en m'n hoofd zit al vol. Zo dacht ik er ook over. Tot iemand me op het boek wees: het is onlangs in een nieuwe Nederlandse vertaling (door Nele Ysenbaert) verschenen bij Van Oorschot en de vertaling moet het begin markeren van een nieuwe reeks, de Amerikaanse Bibliotheek. Nieuwsgierig geworden schafte ik het boek aan (als e-boek in een betrouwbare Modern Library-editie) en begon te lezen.

Wat begint als een ogenschijnlijk eenvoudige reeks korte vertellingen, eindigt als een verpletterende hommage aan de verscheidenheid van het Leven. Een onbeduidend Amerikaans stadje met een beperkt aantal inwoners is aanleiding voor een dieppeilende beschouwing van individuele levens, die in onopgesmukte, maar uiterst doeltreffende taal een totaal onvermoede glans verkrijgen. Soms is Andersons stijl op het bijbelse af, zoals in de vier vertellingen waarin boer-tegen-wil-en-dank Jesse centraal staat. Zijn groeiend religieus fanatisme maakt hem tot een gesel Gods en de scène waarin hij onbewust zijn kleinzoon David de stuipen op het lijf jaagt in een poging zichzelf op te zwepen tot het enige ware doorgeefluik van God, is onvergetelijk. De jongen vlucht in blinde paniek weg van de oude man, die hem  met een mes in de hand lijkt te achtervolgen (hij wil slechts het lam slachten dat de jongen bij zich had). De jongen pakt zijn katapult en treft de grootvader, die als Goliath ter aarde stort. Naderhand is de oude man (die slechts bewusteloos raakte) tot geen ander commentaar over de kwestie te verleiden dan dat hij ervan overtuigd is dat de jongen - die sinds het voorval spoorloos is -  door een boodschapper van God is meegenomen, als straf voor zijn al te gretig streven naar de glorie Gods.

Centrale figuur is George Willard, die als journalist voor het plaatselijke sufferdje met vrijwel alle bewoners van Winesburg contact heeft en in wie een zelfportret van Anderson op jeugdige leeftijd te ontdekken is. Een van de meest cruciale ontmoetingen die Willard heeft is die met de gedoemde dokter Parcival, die zelf een boek had willen schrijven op basis van de simpele overtuiging dat iedereen in de wereld Christus is en gekruisigd zal worden. Het boek is er goddank gekomen en ligt nu in de boekhandel.

maandag 30 mei 2011

Korte Broekjesdag

Ik refereer niet graag aan Martin Bril. Die schreef best aardige en soms briljante dingen, maar die door de Volkskrant in gang gezette adoratie: bah! Maar nou moet het toch maar, omdat mij eenzelfde onrustgevoel overvalt als hem. Hij vond er de term Rokjesdag voor uit, als personen van de vrouwelijke overtuiging zich voor het eerst in rokjes over straat wagen.

Vandaag is het warm, heel warm. Maar Rokjesdag 2011 is allang geweest. Vandaag is het Korte Broekjesdag.

Korte broekjes gedragen door vrouwen, bedoel ik. Van korte broeken door mannen gedragen wil ik om meer dan één reden niks weten. Jonge vrouwen lopen hier al de godganse dag af en aan met al dan niet tot in de hemel reikende blote benen die pas ophouden als de al dan niet gerafelde zoom van een ZKB'tje (een Zeer Kort Broekje: ja, A.L. Snijders met je vervelende ZKV's: bedankt!) eindelijk in beeld komt. En ik zeg u: het Rokje is verleidelijk, maar het ZKB'tje, liefst in combinatie met een paar welgeschapen benen én... nee, geen naaldhakken, maar korte laarsjes, dat is om Sprakeloos van te worden. Vandaar dat ik vandaag uitroep tot Korte Broekjesdag 2011.

Grunberg schreef het al naar aanleiding van de Strauss-Kahn-affaire: "Alle mannen worden uiteindelijk vieze oude mannen." He can rest his case.

zaterdag 16 april 2011

Beethoven

Hè hè, het is me gelukt. Vorig jaar januari kocht ik de nieuwe Beethoven-biografie van Jan Caeyers, las me een gelukzalig end weg tot over de helft, en toen kwam de klad erin. Niet door Caeyers, ondanks zijn wat idiosyncratisch taalgebruik (hij noemt mevrouw Brentano een 'starfucker', doet regelmatig een beroep op modern managementjargon en gebruikt in de laatste 75 bladzijden wel vijftien keer de uitdrukking 'dixit'), maar door mijn eigen behoefte aan afwisseling. Nu onlangs pakte ik het boek weer op en las het in één adem uit. Wat overigens misschien te snel is, want het aangename van zo'n componistenbiografie is natuurlijk dat je het besproken werk er af en toe even bijhaalt en beluistert. Dat heb ik nu de laatste 100 bladzijden ook wel gedaan, maar dat had effectiever en uitgebreider gekund. Desalniettemin heb ik, aangespoord door de beschrijvingen, delen van de laatste strijkkwartetten als nieuw weten te beluisteren en de Bagatellen opus 126 leren kennen. Waarvoor dank, Jan Caeyers.
En voor meer, veel meer. Wat een geweldige biografie! Met superieur gemak worden traditionele opvattingen over The Old Ludwig Van onderuit gehaald, terwijl het geworstel en het diepmenselijke van de componist glashelder voor ogen blijft staan. Wat een verschil met de eveneens doorwrochte biografie van Maynard Solomon! Daarin gaat het leven van Beethoven tenonder aan (vooral psychoanalytisch geöriënteerde) wetenschappelijk verantwoorde analyses: 'gelehrt, gelehrt, immer gelehrt', zou je kunnen zeggen, naar de woorden van een verbijsterde muziekcriticus uit Beethovens tijd over diens vioolsonates.
Naast heel die presentatie van een up-to-date beeld van Beethoven en het Beethovenonderzoek: hoe mooi en knap en geraffineerd is het niet, om een biografie zo te eindigen dat de lezer de tranen in de ogen staan....

donderdag 14 april 2011

Spam

Den lezer heil, maar ik maak kort even melding van onheil.

Er komen allerlei uiterst lovende reacties binnen, in het Engels, van onbekenden met rare namen. Eerste en tweede reactie: 'Ach, wat leu... wel gvd! Spam!! Hier ook al!!!'
Dus ben ik weer gedwongen terug te keren naar woordverificatie bij het plaatsen van reacties. Vervelend, maar het bespaart me (hopelijk) veel onzinnige en irritante reacties. Ga ondertussen, dierbare lezer, door met het plaatsen van uw zinnige reacties...

maandag 7 maart 2011

Orkestliederen

Het lied en de liedkunst zijn wat mij betreft wat ondergeschoven kindjes in mijn nimmer verflauwende belangstelling voor klassieke muziek, met uitzondering van het zogeheten orkestlied. Dat aparte genre kan zich al heel lang in mijn belangstelling verheugen. Een zanger, maar liever nog een zangeres jubelt en kweelt met begeleiding door een heus orkest. Goede voorbeelden zijn natuurlijk de liedercycli van Gustav Mahler (Rückertlieder, Kindertotenlieder, Lieder eines fahrenden Gesellen), Richard Strauss (Vier letzte Lieder en veel andere liederen), Richard Wagner (Wesendocklieder) en Alban Berg (Sieben frühe Lieder).


Ik ontdek er echter telkens weer meer, zoals onlangs het schitterende Il Tramonto van Ottorino Respighi, die bovendien ook andere Shelleygedichten aldus bewerkte (Aretusa, La Sensitiva). De speurtocht gaat door, zeker nu ik door Spotify (ik weet het, beste lezer, ik dreig in herhaling te vervallen) op de meest vreemde en opwindende zijpaden wordt geleid. Van Ravel (Sheherazade) tot Martucci (Notturno), van Britten (Serenade) tot Diepenbrock (Hymnen an die Nacht), van Hendrik Andriessen (Miroir de peine, een regelrechte ontdekking!) tot Lutoslawski (Les espaces du sommeil)... Ik kan er niet genoeg van krijgen. Het is een meer dan verleidelijk genre, dat orkestlied, en het is niet verbazingwekkend dat het in de laat-Romantiek tot grote bloei is gekomen: expressie tot het uiterste gevoerd, dankzij de combinatie van het brede orkestpalet en de menselijke (lees vooral: vrouwelijke) stem.


Op wikipedia is een mooie, maar uiteraard onvolledige opsomming te vinden van de belangrijkste orkestliederen. Daar ontbreken dan bijvoorbeeld nog de hierboven genoemde Martucci en Moessorgski (Liederen en dansen van de dood, orkestratie door Sjostakovitsj) en godweet wat nog meer. Heeft u suggesties, laat maar weten!